STIFT THORN

De politieke macht en invloed van de abdij en de abdissen was vooral regionaal georiënteerd. Maar zij namen wel deel aan de macht binnen West Europa. Door de uitgebreide familiale - en de staatkundige netwerken reikte hun macht verder dan de grootte van het vorstendom Thorn doet vermoeden. Die macht wordt zichtbaar in de verschillende documenten door de eeuwen heen. Waar macht is, is ook geld. Wie geld heeft kan goede werken doen. Én wie geld heeft kan zijn macht in de wereld zichtbaar maken door bouwwerken, de inrichting en kledij.
Door de eeuwen heen zijn symbolen gebruikt om macht aan te duiden en macht zichtbaar te maken. Voorbeelden hiervan zijn de leeuw, de scepter of staf, de kroon, de hermelijnen mantel, de rijksappel, bisschopsstaf, de adelaar.

BEGIN VAN DE MACHT
De geschiedenis van Vrouwen en Macht begint met graaf Ansfried (940-1010), die leefde in een tijd waarin een gevoel van onheil, armoede en politieke onrust heerste. Graaf Ansfried kwam uit een aanzienlijk adellijk geslacht. Hij had een belangrijke relatie met koning (en later keizer) Otto I.
Graaf Ansfried en zijn vrouw Hilsondis (ook wel Hereswint genoemd) leidden een vroom leven. Ergens tussen 972 en 995 heeft graaf Ansfried samen met zijn vrouw in Thorn een vrouwenklooster gesticht, waar hun dochter Benedicta de eerste abdis werd. Rond het jaar 1000 werden veel kloosters in West Europa gesticht. Hiermee kon men in de woelige tijden een plaatsje in de hemel verwerven en tegelijk de herinnering aan de stichtende familie levend houden.
Ansfried krijgt privileges in de regio van Thorn van keizer Otto I en later het volle eigendom van Otto III.
Na de dood van zijn vrouw Hilsondis in 995 besluit graaf Ansfried om zijn zwaard om te ruilen voor een bisschopsstaf en wordt bisschop van Utrecht.

BASIS VAN DE MACHT: FAMILIALE EN STAATKUNDIGE NETWERKEN
De abdij van Thorn kent verschillende periodes. Van 1000-1200 worden de benedictijnse leefregels gevolgd; de periode van 1200-1500 maakte het klooster zich los van deze benedictijner regels, werd de kloosterkleding afgelegd en werd het klooster een adellijk wereldlijk stift. Van 1500-1800 is de periode van het hoogadellijk wereldlijk stift.

De macht van de adel werd in de loop der eeuwen groter. Slechts één van de zonen kon opvolger worden als hoofd van een familie. Voor de andere kinderen hadden de adellijke families 'leefplaatsen' nodig. Deze waren te vinden in het leger en in de kerk, bijvoorbeeld in het ambt van bisschop, abt, abdis, deken, dekanes, kanunnik en kanunnikes. Elk van deze ambten werd gehonoreerd met een 'prebende', een jaarlijkse toelage zolang men dit ambt vervulde. Zo was ook het stift in Thorn een gewilde plek waar men moeite voor deed om die te verkrijgen. Kosten noch moeite werden gespaard.

'De edele kloostervrouwe Elsa van Buren, kanonikesse van het stift St. Ceacilia te Keulen, oud 22 jaren, geeft in oktober 1451 de opdracht aan twee gevolmachtigden... om voor haar bij zijne heiligheid de paus, bij de kardinaal in Duitsland, of bij andere prelaten, het kanonikaat en de prebende van Jacoba de Loen, alias van Heinsberg, de voormalige rectrix der abdij Thorn, te verwerven'.

Om in het thornse hoogadellijke stift als kanunnikes in het stift te worden toegelaten, moest men 8 vaderlijke en 8 moederlijke kwartieren (voorouders) hebben, die minstens de titel van graaf hadden en die van oudsher in het Duitse rijk 'stem en zetel' hadden.
Het overzicht van de abdissen van Thorn laat veel bekende namen (en soms onze tijd) zien. Iedere naam vertegenwoordigt een familie met heerlijke rechten over een kleiner of groter gebied dat ver tot in Europa kon reiken. De macht van abdis en kapittel was vooral regionaal georiënteerd. Hun politieke macht in Europa was van beperkte betekenis. Maar dankzij een netwerk van betrekkingen met de hoge Europese adel en vorstenhuizen wist men ten tijde van oorlog bijzondere bescherming (‘sauvegardes’) te verwerven.

Vanaf de 16de eeuw neemt de abdis zitting in de rijksdag van het Heilige Roomse Rijk. Hierdoor was zij vertegenwoordigd in de Nederrijns-Westfaalse Kreis en in de abdissenbank van de rijksvorstenraad in de Rijksdag te Regensburg. In de Kreis werd ook vergaderd over het muntrecht.

SOCIALE ASPECT VAN DE MACHT
Wie macht en geld heeft, kan keuzes maken om daar goede werken mee te doen. Al in 1498 wordt in een akte vermeld dat er een schoolmeester in Thorn is. In de school op het abdijcomplex kregen kinderen onderricht in lezen en schrijven en was er veel aandacht voor godsdienstleer. De benoeming van de schoolmeester gebeurde door het kapittel. Als tegenprestatie voor het salaris moest de schoolmeester met de kinderen het Salve Regina kunnen zingen. Mogelijk kregen ook kinderen van hoffunctionarissen daar scholing. Deze school werd niet gebruikt voor de opleiding van de stiftdames.

Er was voor zorg voor de bewoners van Thorn. Zo heeft abdis Anna Salomé in 1674 een vroedvrouw aangesteld die de zwangere vrouwen van Thorn bijstond. Trijn Renckens kreeg hiervoor een jaarsalaris van 30 gulden.
Er was zorg voor kinderen als een of beide ouder(s) overleed. Dan werden er voogden benoemd om de minderjarigen te beschermen. En na rampen zoals de grote brand in 1728 werd in het kapittel besproken of de getroffenen met geldelijke uitkeringen geholpen konden worden.

De abdis vorstin had ook rechtelijke macht. Zij bezat het recht van gebod en verbod. En men kon in Thorn in beroep gaan tegen rechtbankbesluiten die elders genomen waren.
Er was een oud gebruik van het jonkvrouwenrecht, waarbij de abdis kon besluiten gratie te verlenen aan een doodveroordeelde als een deugdelijke maagd bereid was met deze veroordeelde te trouwen. In het jaar 1651 is daar gebruik van gemaakt.

Vorstin Francisca Christina von Paltz Sulzbach, de voorlaatste Thornse abdis (1726-1776), was ook abdis in Essen. In Essen-Steele heeft zij een weeshuis opgericht voor 8 jongens en 8 meisjes, die een opleiding kregen en geholpen werden om daarna een goede baan te vinden. Tot op de dag van vandaag is dit weeshuis een jeugdinstelling. Dit heeft Francisca Christina mogelijk gemaakt door haar geld onder te brengen in een ‘Stiftung’. Met haar zakelijk inzicht en haar visie heeft ze ervoor gezorgd dat zowel de kerk als haar familie haar geld niet konden claimen.

GELD EN MACHT
De economische basis van abdij en vorstendom Thorn begint wanneer Graaf Ansfried de privileges schenkt aan de abdij. In 1007 verkrijgt de abdij het marktrecht en tolrecht van koning Hendrik II. De abdij bezat vanaf de 13de eeuw naast de grondheerlijke rechten het recht van hoge gerechtsheer en het recht op gebod en verbod.
De stiftdames leidden een rijk leven. De kanunnikessen krijgen een prebende uit de opbrengsten van de bezittingen van de abdij. De bezittingen lagen verspreid over een groot gebied in Brabant, het Land van Thorn en Zuid Limburg. Maar uit archieven wordt ook duidelijk dat de stiftdames die naar Thorn kwamen, door hun familie rijkelijk bedeeld waren.

Zo blijkt uit het testament van Jean-Philippe-Eugène de Merode d.d. 15 okt 1732 dat indien de dochter huwt krijgt zij, indien zij niet meer dan één (dochter) is 5000 daalder, bij meer dochters voor elk 3000 daalder. En zolang als de gezegde dochters in hun kapittel (Maubeuge en Thorn) zouden kunnen blijven, zal het huis (de Merode) gehouden en verplicht zijn aan hen hun hele leven jaarlijks een toelage te geven van 1200 gulden, wanneer er slechts één zal zijn, bij twee of meer 600 gulden per jaar elk, na hen vooraf voorzien te hebben van kleren, lijfgoed enz., overeenkomstig hun stand. De toelage was zeer ruim want een kapelaan/pastoor krijgt rond 1600 -1700 een jaargeld van circa 200 gulden.

De abdij Thorn had al eerder het muntrecht verworven. Het is abdis Margaretha van Brederode (1531-1577) die dit recht gaat benutten. De munten uit haar periode hebben als opmerkelijkheid dat in 1563 de tweekoppige adelaar die verwijst naar de heersende keizer niet aanwezig is op de daalder. De tweekoppige adelaar is dan vervangen door een eenkoppige adelaar. Ruzie, onmin, machtsvertoon van de dames?
Thorn verliest haar muntrecht door valsmunterij. Abdis Josina van der Marck probeert het muntrecht weer te laten herleven. Zij stelt zelfs een akte op waarin getuigenis wordt afgelegd dat Thorn voldoet aan de voorwaarde dat er onder meer eigen zilver- en loodmijnen binnen haar gebiedsgrenzen zijn.

MACHT EN PRAAL
Door de eeuwen heen zijn symbolen gebruikt om macht zichtbaar te maken. Voorbeelden hiervan zijn de leeuw, de scepter of staf, de kroon, de hermelijnen mantel, de rijksappel, bisschopsstaf, de adelaar.
Macht laat zich weerspiegelen in representatie. Dit komt tot uiting in statige gebouwen, mooie interieurs en verfijnde kledij. Circa 1780 werden plannen ontwikkeld voor een grote verbouwing van het abdijcomplex. De architecten Soiron uit Maastricht en Dukers uit Luik maakten hiervoor de plannen. Door de veranderde tijdsomstandigheden werden die niet uitgevoerd.

De verfijnde en kostbare stoffen die waren gebruikt voor de japonnen van de stiftdames, werden regelmatig bij testament nagelaten aan de abdij om er priestergewaden van te maken. Er gaat een verhaal dat aan het einde van de 18de eeuw de kanunniken ontevreden waren over de vrouwelijke uitstraling van de liturgische gewaden.
Ook koetsen werden bij testament beschreven. Helaas voor de bevolking van Thorn werden zij nagelaten aan personen die voldoende status hadden om zich met een vier-of zesspan te laten rond rijden.

Door de komst van Napoleon en zijn leger kwam in 1794 een einde aan de macht van de vrouwen. Zij verlieten Thorn met 30 huifkarren, beladen met de uiterlijkheden van de macht, en trokken naar het zusterstift in Essen. Helaas hebben Napoleon en de zijnen de belangrijkste representatie van de macht, het abdijcomplex en het paleis van de vorstin-abdis, vernietigd. De abdijkerk, enkele bijgebouwen en een aantal riante woningen van stiftdames en kanunikken zijn bewaard gebleven.

Macht bevestigd: de eedaflegging en inhuldiging
Bij het aanvaarden van het ambt van abdis werd een eed afgelegd. Deze was uitgebreid. Zo zwoer Margaretha van Brederode in mei 1532:
• te resideren in Thorn;
• geen geheime zaken te doen;
• geen zaken betreffende het kapittel en het Land van Thorn te doen zonder raad of instemming van het kapittel;
• geen presentiegelden bij hoogtijden en jaargetijden te heffen;
• als zij niet in de abdij vertoeft, af te zien van presentiegeld, behalve als zij in overleg met het Kapittel afwezig is;
• niet meer dan wat redelijk is om te wonen voor zichzelf uit te geven;
• de niet uitgegeven prebendes voor goede zaken te gebruiken;
• een ieder toe te staan een testament op te stellen;
• als het kapittel of een land van Thorn enige schade zou lijden door haar schuld dat zij uit de rentes die de abdij ontvangt of uit haar eigen vermogen, de schade herstelt;
• naar haar inzet en macht de rechten van het kapittel en het godshuis van Thorn in stand te houden;
• alles in het werk te stellen om eventueel geschonden rechten te herstellen.

De eedaflegging eindigt met:

'Vrouw ghij swert nog op dit heilig Sacrament, dat ghij uer mannen ende des gotshuysmanne van THorn ende alle gemeine ondersaten halden sult in haeren rechten. Alle deze punten swert ghij te halden, soe uch Got helpt en dit helig Sacrament ende alle Gots heiligen.'

In juni van dat jaar volgende de plechtige inhuldiging door de leenmannen en het volk met een mis en een processie. In aanwezigheid van de graaf van Horne, kanunikkessen, kanunikken, de leenmannen van Thorn, de schepenen en inwoners van Thorn werd door een inwoner van Thorn de landrechten en de hofrechten voorgelezen. Daarna werd bekend gemaakt dat de abbatiale zetel nu werd bekleed door vrouw Margaretha van Brederode, dat zij in het bezit van abdij en land werd gesteld. En dat de bewoners voortaan haar hadden te gehoorzamen als wettige vorstin en abdis. Hierna legden de leenlieden en vazallen de eed af. Na deze ceremonie werd de nieuwe abdis naar haar zitplaats op het altaar begeleid, terwijl het zangkoor het Te deum Laudamus zong.

(uit Habets, Archieven van het Kapittel der hoogadellijke rijksabdij Thorn, oogadellijke Rijksabdij Thornh1889)

Vorige